TemplateAfbeelding

Artikelindex

IV 

In het licht van het bovenstaande zal het ons niet verbazen dat sporen van hun bijzondere leer in ver verwijderde streken van Rusland, Bulgarije , Roemenië of zelfs dichterbij, in Bosnië-Herzegovina zullen worden teruggevonden. Want de Bogomielen hebben hun godsdienst van het ‘ware christendom’ altijd gepaard doen gaan met een natuurlijk leven, zo eenvoudig en zo zuiver mogelijk. Zo zeggen zij bijvoorbeeld dat de mens het contact met de kosmos is verloren. 

Wel, dat is een gedachte die we in het westen ook weer tegenkomen: de kosmische invloed op de groei van gewassen, zaaikalenders met de standen van de maan, het is allemaal weer volop in de belangstelling. Maar ze bedoelen daar nog iets anders mee: Niet alleen is de mens geen bewoner meer van het oorspronkelijk levensveld, wat op zich natuurlijk al erg genoeg is. Maar dat valt nog te begrijpen; dat was immers een ander soort mens, een engel, een geestelijke mens, heel anders dan zij zelf waren. 

Bovendien is hij het besef verloren dat hij een bewoner van de kosmos is. Hij denkt dat hij het midden van de wereld is. Hij denkt dat de aarde het middelpunt van het heelal is. Ook al spreekt de wetenschap hem tegen, ook al weet hij met zijn verstand heus wel dat niet alles om hem draait; in zijn houding en vooral in zijn gevoel is er in de mens nog lang geen ruimte voor een besef van de juiste verhoudingen. 

Maar ga eens op een ochtend naar het open veld, vlak voor zonsopgang, zo klinkt een gedachtengang der Bogomielen. Richt je blik op het oosten waar de zon opkomt. Zie hoe, vlak voordat ze opkomt, de horizon al gaat oplichten. Voel met wat voor kracht, met welk een geweld dat gepaard gaat. De duisternis verdwijnt! En niet alleen met kracht: er komt vreugde in de atmosfeer, opnieuw komt er leven, met licht, met grote snelheid, met trilling, de atmosfeer binnen. Vogels beginnen hun zang niet als de zon op is, nee, ze reageren op die nieuwe zonne-ethers die in de aarde-atmosfeer verschijnen. Daarom fluiten ze juist net vóór de dag aanbreekt. Want het voorvoelen van de zon wekt hen, brengt hen tot fluiten en zingen. De hele aarde, de hele natuur verheugt zich daarover. De dood van één  nacht is weer overwonnen. 

Dan voel je, dan ervaar je weer wat de kracht van het Zonne-al is. Dan weet je weer dat het leven in jezelf dáár vandaan komt. En ze gaan daarin nog verder. Zie jezelf daar staan. Je kijkt naar de zon, hoe die in een boog rond de hemel trekt. Maar je vergist je. Het is niet de zon die beweegt. Zij is ten opzichte van de aarde het middelpunt. Zij is als een onverzettelijk baken in het wijde heelal, het enige ‘statische’ in een voor ons besef altijd-wervelend, altijd bewegend zonnestelsel. Het enige dat ons in de dialectiek eraan herinnert dat er een ‘onbeweeglijk’ koninkrijk is. 

Niet de zon draait om de aarde, van oost naar west. Nee, in een eindeloze duikvlucht draait de aarde van west naar oost, elke morgen zich verblijdend in de stralengloed van de zon en haar nieuwe leven indrinkend, elke avond, beschaamd om de vele vergissingen, fouten en wreedheden die op haar oppervlak bedreven zijn, het aangezicht weer van haar goddelijke glans afwendend. 

En daarop sta jij, mens. Ook jij moet mee op die rondedans. Ook jij ervaart licht en donker. Ook jij bent een mix van goed en kwaad, van licht en donker. En zelfs je bewustzijn ervaart het licht van de dag, en het donker van ‘het er niet zijn’, want men zegt wel eens dat je leven een dag is, jouw dag, en dat je erop moet toezien de juiste besluiten te nemen nu het kan, ‘voordat je “dag” weer verglijdt in het verleden.’

De Bogomielen kenden een enorme rijkdom aan ideeën die allemaal op de een of andere manier erop gericht zijn om in een vijandige wereld zo zuiver mogelijk te blijven leven. Daarom leefden zij teruggetrokken, zoveel mogelijk in overeenstemming met de natuur. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog trok hun meester, Peter Deunov, elke zomer enkele maanden naar een gebied dat ‘de zeven heilige meren’ heette, een prachtig Bulgaars landschap in het Rillagebergte. Daar, ver weg van het rumoer en gedruis van de levendige Balkan-steden, onderrichtte hij zijn leerlingen. Toen hij oud was, kwamen er honderden en honderden mensen naar hem luisteren, als hij sprak aan de voet van een van die bergen. 

De mens in het westen kan niet meer zo leven, het is niet meer mogelijk en het is ook niet de bedoeling. In feite is zijn levensgang veel moeilijker. Maar ook, zo mogelijk, belangrijker. Want juist in deze tijd, waarin alles zich enorm toespitst, kun je nog ongelooflijk veel goeds doen. Je nieuwe levenshouding kan je principieel vrijmaken van de wereld, hoewel je nog steeds erin werkt en bent. Zo kun je voor je naaste werkelijk een steun zijn, door een heel ander soort leven te bewijzen. En kijk, hoewel je anders leeft, en anders moet leven dan je Bogomielse voorgangers, zie je in verband hiermee een levenspraktijk van Mani terug, een wijsheid die je ook terugvindt in de School van het Rozenkruis: ‘Bestrijd het kwade niet, duld het’. Dat was een van de leefregels van de Bogomielen. 

Het kwade moet worden verlost, want het is niet in staat om zichzelf te redden. Het eigenlijke kwaad is niet zozeer de schrille tegenstelling tussen rijk en arm, hoewel deze onrechtvaardigheid zeker een gevolg is van het fundamentele kwaad, van de val. De Bogomielen onderwezen hoe het kwaad bij de wortels aan te pakken. Dat resulteerde in een vredelievende levenshouding die vooral was gebaseerd op mededogen voor al het geschapene. Met deze levenshouding plaatsten de Bogomielen zich buiten alle strijd, die toch het kenmerk is van de ‘toornwereld’ waarin wij leven. 

Bron: spiritueleteksten.be